Bloeddrukmeting

 

Bloeddrukmeting is een meting van de bloeddruk in een slagader (meestal de armslagader) met een bloeddrukmeter (tensiemeter of sfygmomanometer). Deze bestaat uit een opblaasbare manchet die rond de bovenarm wordt gewikkeld. De ballon binnen de manchet is verbonden met een kwikkolom, zodat de druk die de manchet op de arm uitoefent kan worden afgelezen in millimeters kwik. De manchet wordt zo stijf opgepompt, dat de slagaders eronder geheel worden dichtgedrukt. Daarna laat men de manchet langzaam leeglopen; op een gegeven ogenblik wordt de druk zo laag dat er weer wat bloed door de slagader kan stromen tijdens de piek in de bloeddruk. De slagader is dan nog grotendeels dichtgedrukt.

Het beetje bloed dat wordt doorgelaten, kolkt door de vernauwde opening. Dit is via een stethoscoop die vlak onder de manchet wordt geplaatst, te horen. Men hoort dan een kloppend geluid, in hetzelfde ritme als de polsslag. Deze hoogste druk noemt men de systolische bloeddruk (of de bovendruk). Deze ligt normaal rond de 120 mm kwik (100-140 mm).

Wanneer de manchet verder leegloopt, gaat er steeds gemakkelijker bloed onder de manchet door. Op een gegeven moment daalt de manchetdruk beneden de minimale druk binnen het slagaderstelsel. De slagader is dan weer volledig open en het bloed stroomt er onbelemmerd doorheen.

Op dat ogenblik hoort men door de stethoscoop geen vaattoon meer. Men noemt de bijbehorende druk de diastolische druk (onderdruk). Deze ligt meestal rond de 80 mm kwik (60-90 mm). De normale bloeddruk van een volwassene is dus, opgeschreven, 120/ 80 mm kwik. Deze meting is erg nuttig, omdat de bloeddrukwaarde, tezamen met de polsfrequentie, de arts veel informatie geeft. Zo kan hij o.a. bepalen of het bloed normaal rondstroomt en hoe sterk de hartspier zich daarvoor moet inspannen.